Monitoring

Doelstelling

Zoals beschreven in de LESA, is de gegevensdichtheid niet overal voldoende om lokale maatregelen heel specifiek te kunnen formuleren. Goede monitoring (voor én na) zijn van belang om effecten van een ingreep goed te kunnen duiden. Dit vraagt om een specifiek gebiedstoegesneden onderzoek.

Na uitvoering van de maatregelen uit dit Projectplan wordt hydrologische monitoring voortgezet. Zowel door metingen van het grond- als het oppervlaktewater. Door monitoring wordt o.a. getracht inzicht te krijgen in de effecten van de anti-verdrogingsmaatregelen. Tevens wordt een langjarig beeld verkregen voor de KRW. Naast grond- en oppervlaktewaterpeilen gaat het ook om de waterkwaliteit. De exacte wijze van monitoring wordt vastgelegd in een monitoringsplan.

Het doel van dit monitoringsplan is om de voorspelde (uitstralings) effecten van de maatregelen in het projectplan, berekend met het oppervlaktewater- en grondwatermodel, op een objectieve manier te monitoren. Door het evalueren van de monitoringsresultaten kan worden beoordeeld of de uitgevoerde maatregelen ook daadwerkelijk leiden tot de hydrologische effecten die met het model zijn voorspeld. Na realisatie van het project kunnen hiermee eventuele vragen vanuit belanghebbende particulieren, stakeholders en projectpartners, omtrent uitstralingseffecten ten aanzien van grondwater en overstroming, beantwoord worden.

Informatiebehoefte

Wat betreft grondwater zijn de berekende effecten niet direct uit de metingen in de peilbuizen af te lezen. Het verloop van de grondwaterstand in een gebied is het gevolg van zowel klimatologische factoren (neerslag en verdamping) als hydrologische factoren (peilen en maatregelen). Om dit onderscheid zichtbaar te krijgen, zijn de volgende gegevens nodig:

  • Grondwaterstanden;

  • Oppervlaktewaterstand van de Tongelreep;

  • Neerslag en verdamping;

  • Grondwateronttrekkingsgegevens in de omgeving.

Neerslag en verdamping worden gemeten door het KNMI. Gegevens over grondwateronttrekkingen bedoeld voor drinkwater worden bijgehouden door Brabant Water.

Meetnet grondwater

Voor het monitoringsplan wordt gebruik gemaakt van peilbuizen van reeds ingerichte meetnetten aangevuld met nieuw te plaatsen peilbuizen. De reeds aanwezige peilbuizen en de nieuw geplaatste peilbuizen in het beekdal van de Tongelreep hebben verschillende meetdoelen.

Een deel van de bestaande en nieuwe peilbuizen is gelegen in de bestaande natuurgebieden. Het doel van de peilbuizen die in de natuurgebieden is om de effecten van de uitgevoerde maatregelen in de natuurgebieden te kunnen monitoren.

Naast metingen in het natuurgebied, worden ook metingen uitgevoerd in het huidige landbouwgebied. Hiervoor worden zowel bestaande, als nieuwe peilbuizen gebruikt. Doel van deze peilbuizen is het meten van de effecten van de uitgevoerde maatregelen in het bestaande landbouwgebied. Een deel van de peilbuizen die voor dit meetdoel worden gebruikt, staan buiten de projectbegrenzing. Ondanks dat uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat er geen vernattende effecten met schade als gevolg, optreden buiten het projectgebied, willen we de effecten buiten het projectgebied toch zekerheidshalve monitoren. In onderstaande Figuur 1.10‑2 is een overzicht van grondwater- en oppervlaktewater monitoringslocaties opgenomen. Dit betreft zowel bestaande als nieuwe meetlocaties.

Figuur 1.10‑2 Locaties meetpunten in plangebied Tongelreep fase 2

Meetnet oppervlaktewater

In de huidige situatie wordt de waterstand en het debiet gemeten op twee locaties in de Tongelreep. Bij de grens met België en bij stuw Drie Bruggen. Onderdeel van de herinrichting van de Tongelreep is het deels aansluiten van oude meanders op de Tongelreep. Het profiel van de beek wordt aangepast en de beek wordt verondiept.

Na uitvoering van willen we naast de grondwaterstanden, ook de oppervlaktewaterstanden monitoren. Gezien de toekomstige inrichting van de beek zijn er een aantal locaties waar we willen aanvullend de waterstanden willen gaan meten Dit zal zijn bij de twee aan te brengen constructies t.b.v. waterconservering. Zie ook bovenstaande Figuur 1.10‑2.

Monitoring inbrengen zand in de beek

Naast de monitoring van de waterstanden wordt er voor het inbrengen van zand in de beek ook gemonitord hoeveel en hoe snel en hoeveel de beekbodem aanzandt. Op die manier kan er gedurende het proces nauwkeuriger worden bepaald en bijgestuurd hoeveel zand op welke locatie en met welke frequentie kan worden ingebracht. Tijdens het proces van inbrengen van zand worden de waterstanden, het debiet, de bodemhoogtes en de doorstroming van het zand voortdurend gemonitord. Het is de bedoeling dat deze aanzanding en dus ook de bodemophoging van de beek geleidelijk zal plaatsvinden.

Zo wordt ook voorkomen dat de beekbodem hoger wordt dan aangegeven in dit projectplan.

Daarnaast wordt ook de macrofauna tijdens het proces van het inbrengen van zand gemonitord.