Knelpunten

Landelijk is in Natura 2000-gebieden al jaren sprake van een overschot aan stikstofdepositie, terwijl verdrogingsproblematiek het effect hiervan verder versterkt. Dit is schadelijk voor de kwetsbare stikstofgevoelige habitats in de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De natuurwaarden die beschermd dienen te worden in de Natura 2000-gebieden zijn door middel van een aanwijzingsbesluit vastgelegd in zogenoemde instandhoudingsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn vervolgens vertaald in beheerplannen. Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) ligt er een verplichting om ervoor te zorgen dat de habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen in oppervlakte en kwaliteit niet achteruitgaan.

Het project “Herinrichting Tongelreep” vindt grotendeels plaats in Natura 2000-gebied “Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux”. In het Natura 2000-beheerplan voor dit Natura 2000-gebied zijn voor de eerste beheerplanperiode maatregelen opgenomen om de achteruitgang van de stikstofgevoelige habitattypen te stoppen.

De volgende stikstofgevoelige habitattypen komen voor in of in de omgeving van het projectgebied van de Tongelreep. In figuur 1.2‑1 zijn deze habitattypen op kaart weergegeven.

De volgende voor stikstof- en/of voor verdroging gevoelige habitattypen komen voor in het project gebied van de Tongelreep:

  • H2310 Stuifzandheiden met struikheide

  • H2330 Zandverstuivingen

  • H3130 Zwakgebufferde vennen

  • H3160 Zure vennen

  • H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

  • H4030 Droge heiden

  • H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen

  • H9190 Oude eikenbossen

  • H91D0 Hoogveenbossen

  • H91E0C Vochtige alluviale bossen/ beekbegeleidende bossen

Met de uitvoering van de maatregelen wordt voornamelijk invulling gegeven aan de hydrologische herstelmaatregelen in het N2000-beheerplan voor de 1ste beheerplanperiode. Het behoud van oppervlakte en kwaliteit van de bovengenoemde habitattype, ook wel duurzame instandhouding genoemd, is het uiteindelijke doel van alle N2000-herstelmaatregelen van de 1ste beheerplanperiode. Het project richt zich dan ook primair op de grondwaterafhankelijke habitattypen met een negatieve trend, namelijk “Zure vennen” en “Vochtige alluviale bossen”.